Tijdens het vragenuurtje van de Kamercommissie Justitie van 8 juli 2026 kwamen de laattijdige betalingen van prestaties in het kader van gerechtskosten in strafzaken opnieuw uitgebreid aan bod. Volksvertegenwoordigers Alexander Van Hoecke en Stefaan Van Hecke confronteerden minister van Justitie Annelies Verlinden met de opvallende verschillen tussen de door de FOD BOSA gepubliceerde officiële betalingscijfers en de cijfers die onlangs in de commissie werden meegedeeld door minister Verlinden.
In haar antwoord gaf de minister van Justitie meer duidelijkheid over de betalingstermijnen, de automatische toekenning van verwijlinteresten en de forfaitaire invorderingsvergoeding van 40 euro.
Sterk afwijkende cijfers zorgen voor verwarring
De aanleiding voor het debat waren de onlangs door de FD BOSA gepubliceerde betalingsstatistieken. Volgens die cijfers werd in het eerste kwartaal van 2026 slechts 44,3% van de schuldvorderingen voor gerechtskosten binnen de 30 dagen betaald, met een gemiddelde betalingstermijn van 51 dagen.
Dat staat haaks op de cijfers die de minister op 24 juni jl. in dezelfde commissie bekendmaakte in antwoord op een parlementaire vraag van Claire Hugon Lecharlier. Toen luidde het dat 54,7% van de betalingsaanvragen binnen 30 dagen werden afgehandeld, met een gemiddelde betalingstermijn van 35 dagen.
Volgens de minister is de verklaring simpel: beide statistieken zouden betrekking hebben op een andere doelgroep. De statistieken van de FOD BOSA omvatten alle prestatieverleners binnen de gerechtskosten, terwijl de eerder door de minister meegedeelde cijfers uitsluitend betrekking hadden op beëdigd vertalers en tolken. Een verrassend antwoord, want aparte statistieken betreffende de inzet van vertalers en tolken zijn anders zelden beschikbaar. Onder dit artikel kan u overigens zelf de antwoorden van de minister nalezen en vergelijken.
Wanneer begint de betalingstermijn te lopen?
Een tweede belangrijk discussiepunt was de vraag vanaf welk moment de wettelijke betalingstermijn van 30 dagen, opgelegd door Europese regelgeving, begint te lopen.
Er leeft bij verschillende dienstverleners - vanuit hun vaststellingen op het terrein - de bezorgdheid dat Justitie de wettelijke termijn pas zou laten starten nadat het lokaal taxatiebureau een kostenstaat heeft goedgekeurd. Dat is moeilijk te verzoenen met de Europese richtlijn 2011/7/EU ter bestrijding van betalingsachterstanden.
De minister sprak dit echter uitdrukkelijk tegen. Volgens haar geldt de datum waarop het verzoek tot betaling wordt ontvangen als startpunt voor de berekening van de verwijlinteresten, op voorwaarde dat het dossier volledig en wettelijk conform is.
Wanneer noodzakelijke gegevens of bewijsstukken ontbreken, wordt de betalingstermijn opgeschort. De termijn begint dan pas te lopen vanaf het ogenblik waarop de ontbrekende documenten aan het taxatiebureau worden bezorgd.
Met andere woorden: volgens de minister bepaalt niet de datum van de taxatie of de goedkeuring het begin van de betalingstermijn, maar de datum waarop een volledig en correct betalingsdossier werd ontvangen.
Recht op forfaitaire vergoeding van 40 euro en interesten
De minister bevestigde eveneens dat de bestaande regelgeving inzake betalingsachterstand van toepassing is op gerechtskosten.
Vanaf de eerste dag waarop de wettelijke betalingstermijn wordt overschreden, is van rechtswege verschuldigd:
- een forfaitaire invorderingsvergoeding van 40 euro per laattijdig betaalde schuldvordering;
- daarnaast ook de verschuldigde wettelijke verwijlinteresten.
Wel geldt ook hier dat het betalingsdossier volledig en conform de wettelijke voorschriften moet zijn. Bij onvolledige dossiers wordt de betalingstermijn geschorst totdat alle ontbrekende documenten zijn aangeleverd.
Nog geen cijfers over uitbetaalde interesten
Op vragen van beide parlementsleden over de totale bedragen aan reeds uitbetaalde verwijlinteresten en forfaitaire vergoedingen moest de minister het antwoord voorlopig schuldig blijven. Ze vroeg om hierover een schriftelijke vraag in te dienen.
De exacte omvang van de reeds betaalde verwijlinteresten en forfaitaire vergoedingen en openstaande bedragen blijft dus voorlopig onbekend. Uit een informele rondvraag onder collega's-BVT, blijkt dat er in de praktijk weinig te merken is van de toepassing van verwijlinteresten. Dat alles automatisch dient te gebeuren via de FOD BOSA biedt ook weinig transparantie voor de betrokken dienstverleners. Voor concrete vragen hierover verwijst de FOD Justitie steevast naar de FOD BOSA en daar is geen enkel concreet contactpunt voor dienstverleners die te kampen hebben met betalingsachterstand. .
Administratieve last voor dienstverleners blijft pijnpunt
Tijdens de bespreking wees Stefaan Van Hecke er nog op dat beëdigd vertalers en tolken al jarenlang geconfronteerd worden met laattijdige betalingen. Hij maakte duidelijk dat de administratieve procedure voor beëdigd vertalers en tolken nog altijd zwaar weegt. Volksvertegenwoordiger Van Hecke benadrukte dat vertalers en tolken een onmisbare rol spelen binnen Justitie en dat zij recht hebben op een correcte en tijdige vergoeding voor hun prestaties.
De vraag blijft hoe de FOD Justitie de administratieve procedure verder kan vereenvoudigen, zodat dienstverleners als beëdigd vertalers en tolken en gerechtsdeskundigen niet langer onnodig op hun vergoeding moeten wachten. Hierover gaf minister Verlinden al een voorzet in haar antwoord op de vraag van volksvertegenwoordiger Hugon Lecharlier van 24 juni jl. (zie helemaal onderaan dit artikel). Het is afwachten wanneer de aangekondigde rationalisering en digitalisering zullen worden geïmplementeerd.
Samengevoegde mondelinge parlementaire vragen van:
- Alexander Van Hoecke aan minister van Justitie Annelies Verlinden over "De achterstallige betalingen en de verwijlinteresten voor dienstverleners in strafzaken" (56017818C)
- Stefaan Van Hecke aan aan minister van Justitie Annelies Verlinden over "De laattijdige betalingen van gerechtskosten in strafzaken" (56017837C)
18.01 Alexander Van Hoecke (VB): Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.
Tijdens de commissievergadering van 25 juni verklaarde u dat in het eerste kwartaal van 2026 54,7% van de betalingsaanvragen binnen de 30 dagen werden afgehandeld, met een gemiddelde betalingstermijn van 35 dagen. De achterstand zou zelden de twee maanden overschrijden en de langere termijnen zouden meestal te wijten aan onvolledige dossiers.
Uit de officiële betaalstatistieken van de FOD BOSA blijkt evenwel dat voor gerechtskosten in strafzaken in het eerste kwartaal van 2026 slechts 44,3% van de schuldvorderingen binnen de 30 dagen na ontvangst door het lokaal taxatiebureau werd betaald en dat de gemiddelde betalingstermijn opliep tot 51 dagen.
De EU-richtlijn inzake de betalingsachterstand voorziet in art. 6 dat 40 euro invorderingskosten mogen worden ingevorderd bij laattijdige betalingen. In concreto zijn er 29.784 openstaande schuldvorderingen van meer dan 31 dagen hetgeen voor het eerste kwartaal van 2026 alleen al zou resulteren in een openstaand bedrag van 1.191.360 euro aan invorderingskosten. De toepassing van de regels, de berekening en criteria van uitbetaling via het BOSA boekhoudsysteem zijn evenwel onduidelijk.
Tenslotte lijkt de FOD Justitie bovendien uit te gaan van het standpunt dat de betalingstermijn van 30 dagen pas begint te lopen na de goedkeuring van de via JustInvoice ingediende kostenstaat door het taxatiebureau en niet zoals waarvan sprake in de Richtlijn 2011/7/EU inzake de bestrijding van betalingsachterstand vanaf de ontvangst van de factuur of een gelijkwaardig verzoek tot betaling.
Heeft u kennis van de officiële betaalstatistieken van BOSA? Waarom zijn deze verschillend van de cijfers zoals door de minister bekendgemaakt?
Wat zijn de criteria voor de berekening en uitbetaling van de 40 euro invorderingskosten via het BOSA-boekhoudsysteem?
Is de start van de berekening van de betalingstermijn -goedkeuring taxatiebureau- verenigbaarheid met Richtlijn 2011/7/EU waarbij melding wordt gemaakt van 'de ontvangst van de factuur of een gelijkaardig verzoek'?
Kunt u meedelen welke (totale) bedragen er in 2023, 2024, 2025 en 2026 verschuldigd waren aan verwijlinteresten, alsook hoeveel daarvan betrekking heeft op de 40 euro invorderingskosten per laattijdig betaalde schuldvordering, en hoeveel er daarvan (per categorie) werden betaald?
18.02 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.
In de commissie gaf u recent aan dat in 2025 54% van de betalingsaanvragen bij gerechtskosten in strafzaken binnen 30 dagen werd behandeld, met een gemiddelde betalingstermijn van 36 dagen. Voor het eerste kwartaal van 2026 sprak u over 54,7% binnen 30 dagen en een gemiddelde termijn van 35 dagen.
De door BOSA gepubliceerde betaalstatistieken voor "FOD Justitie - Gerechtskosten in strafzaken" tonen echter een ander beeld. Voor het eerste kwartaal van 2026 werd slechts 44,3% van de schuldvorderingen binnen 30 dagen betaald en bedroeg de gemiddelde termijn 51 dagen na ontvangst bij het lokaal taxatiebureau. Voor 2025 gaat het volgens BOSA om 44,5% binnen 30 dagen en een gemiddelde termijn van 47 dagen.
Dat is belangrijk voor onder meer vertalers, tolken en andere dienstverleners, die vaak lang op hun vergoeding moeten wachten. Bovendien bepaalt Richtlijn 2011/7/EU dat overheidsinstanties in principe binnen 30 dagen moeten betalen en dat bij betalingsachterstand verwijlinteresten en minstens 40 euro invorderingskosten verschuldigd zijn. In de praktijk lijkt Justitie de termijn van 30 dagen pas te laten lopen na goedkeuring door het taxatiebureau, en niet vanaf de indiening of ontvangst van de kostenstaat via JustInvoice.
Hoe verklaart u het verschil tussen de cijfers die u in de commissie meedeelde en de door BOSA gepubliceerde cijfers voor 2025 en het eerste kwartaal van 2026?
Vanaf welk moment laat Justitie de betalingstermijn van 30 dagen lopen bij gerechtskosten in strafzaken: vanaf de indiening of ontvangst van de kostenstaat, of pas vanaf de goedkeuring door het taxatiebureau?
Acht u die werkwijze in overeenstemming met Richtlijn 2011/7/EU, die uitgaat van betaling binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur of een gelijkwaardig verzoek tot betaling?
Welke criteria bepalen of dienstverleners recht hebben op verwijlinteresten en de forfaitaire invorderingsvergoeding van 40 euro? Worden die bedragen automatisch uitbetaald sinds de aanpassing in de boekhoudapplicatie van BOSA?
Hoeveel verwijlinteresten en forfaitaire invorderingsvergoedingen werden in 2025 en 2026 al effectief uitbetaald voor laattijdige betalingen van gerechtskosten in strafzaken, en hoeveel zijn nog verschuldigd?
Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat vertalers, tolken, deskundigen en andere dienstverleners voortaan correct en tijdig worden betaald?
18.03 Minister Annelies Verlinden: Mijnheer Van Hoecke, mijnheer Van Hecke, de cijfers van de FOD BOSA hebben betrekking op de betalingstermijnen voor gerechtskosten voor alle categorieën prestatieverleners, terwijl de cijfers van 25 juni jongstleden uitsluitend betrekking hebben op de betalingstermijnen voor de beëdigd vertalers en tolken.
Overeenkomstig de geldende regelgeving is vanaf de eerste dag waarop de betalingstermijn wordt overschreden van rechtswege een forfaitaire vergoeding van 40 euro verschuldigd voor elke te laat betaalde factuur. Wanneer de goederen of diensten vóór de ontvangst van de factuur in ontvangst werden genomen, gaat de betalingstermijn in vanaf de ontvangst van de factuur. In dat geval komt de eerste dag van de vertraging overeen met de 31ste dag na de datum van ontvangst van de factuur.
Er moet evenwel worden benadrukt dat de factuur moet voldoen aan de wettelijke en contractuele vereisten. In geval van een niet-conforme factuur wordt de betalingstermijn geschorst tot de ontvangst van een geregulariseerde factuur die aan de geldende voorschriften voldoet.
Momenteel geldt de datum van ontvangst van het verzoek tot betaling als startdatum voor de berekening van de verwijlinteresten, mits het dossier aan de wettelijke vereisten voldoet. Dat wil zeggen dat het alle wettelijk vereiste gegevens en bewijsstukken moet bevatten. Als bepaalde gegevens of bewijsstukken ontbreken, geldt als startdatum voor de berekening van de verwijlinteresten de datum waarop de ontbrekende elementen aan het taxatiebureau worden verstrekt. Dat de interesten zouden worden berekend vanaf de datum van de taxatie of de goedkeuring door het taxatiebureau, klopt dan ook niet.
Wat de vraag naar cijfergegevens betreft, wil ik u verzoeken om daarvoor een schriftelijke vraag in te dienen.
18.04 Alexander Van Hoecke (VB): Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik ga het nog eens grondig bekijken in het verslag, en de totaalbedragen zal ik inderdaad ook schriftelijk opvragen. Alvast bedankt.
18.05 Stefaan Van Hecke (Ecolo-Groen): Dank u wel voor het antwoord, mevrouw de minister. Ik zag dat er op de website van de FOD Justitie, onder de FAQ's, iets meer informatie staat, waardoor vertalers en tolken een beetje beter weten waar ze aan toe zijn. Er staat onder andere dat de interesten van de schadevergoedingen uiteindelijk automatisch zullen worden toegekend, op voorwaarde uiteraard dat het dossier volledig is.
Ik denk dat daar misschien net het probleem ligt voor vertalers en tolken die werken voor Justitie. Er zijn vaak al heel wat berichten over en weer voordat een dossier volledig is. Het is een hele papierwinkel die ze moeten invullen. Bij Justitie gebeurt nog veel op papier, waardoor ze bij het indienen van hun dossier en afrekeningen heel wat documenten moeten inscannen, in de juiste volgorde moeten plaatsen en dergelijke meer.
Voor de vertalers en tolken is dit een probleem dat al te lang aansleept. Er zijn al vele jaren periodes geweest waarin ze te laat werden betaald. Ik heb altijd benadrukt dat we hen moeten koesteren; ze helpen Justitie. We moeten ervoor zorgen dat ze tijdig en correct worden betaald, en vanuit die bezorgdheid stellen we daar regelmatig vragen over.
Het incident is gesloten.
Bron: Commissie voor Justitie, Kamer van volksvertegenwoordiger, 8 juli 2026
Mondelinge parlementaire vraag van Claire Hugon Lecharlier aan minister van Justitie Annelies Verlinden over "De betalingsachterstand en administratieve rompslomp voor beëdigde vertalers/tolken" (56017030C)
Claire Hugon Lecharlier (Ecolo-Groen):
Mevrouw de minister,
Ik word aangesproken over de situatie van de BVT.
Tijdens de bespreking van de beleidsnota heeft u aangegeven dat een correcte en tijdige betaling van gerechtsdeskundigen, tolken en vertalers voor u een prioriteit was. Zij blijven echter klagen over soms zeer grote vertragingen - soms meer dan zes maanden tussen de dienstverlening en de betaling.
Dit is het gevolg van een opeenstapeling van vertragingen en moeilijkheden in elke fase:- de vorderende overheden doen er soms erg lang over om de goedkeuringen die nodig zijn voor de facturering te verstrekken - de verwerking van de kostenstaten door de taxatiebureaus kan aanzienlijke vertragingen ondervinden, die volgens de FOD Justitie het gevolg zijn van een gebrek aan personeel om de administratieve werklast te verwerken
- Er zijn ook vertragingen in de fase van de vereffening met het oog op betaling. Toch hebt u in maart jongstleden aangegeven dat de beruchte begrotingsbijlage 2.12.7 met name bedoeld was om "een snelle betaling aan de actoren in de justitiële sector, met name tolken en vertalers, mogelijk te maken".
De BVT klagen ook over een zeer zware administratieve last. Sinds de overstap naar PEPPOL moeten de BVT enerzijds een kostenstaat indienen via JustInvoice en anderzijds een factuur via PEPPOL. Bovendien zou elke fout, zelfs van slechts enkele centen ten nadele van de FOD Justitie, leiden tot een ontmoedigende administratieve rompslomp;
wanneer de FOD Justitie fouten maakt ten nadele van de BVT, kiezen deze ervoor af te zien van een verzoek tot correctie omdat dit zo tijdrovend is. Sommige BVT spreken zelfs van administratieve intimidatie. Meer recentelijk zouden PEPPOL-facturen massaal zijn geweigerd vanwege verschillen tussen de factureringsplatforms. De betrokken BVT wenden zich tot de taxatiebureaus, die echter niet alle antwoorden hebben, aangezien de FOD BOSA verantwoordelijk is voor de facturen.- Zijn er vooruitzichten op een spoedige verbetering van de betalingstermijnen? Wordt er extra personeel ingezet in de taxatiebureaus? Hoe zit het met de vrijgave van de budgetten sinds de buitenwerkingstelling van de voorlopige twaalfden?
- Hoe stelt u voor om de administratieve lasten voor de BVT te verminderen? Hoe kunnen PEPPOL en JustInvoice beter op elkaar worden afgestemd om deze lasten te verminderen? Is het mogelijk om bij de FOD BOSA, die de facturering beheert, een contactpersoon voor de BVT aan te wijzen?
Ik dank u.
Annelies Verlinden, minister: Collega Hugon Lecharlier, we werken op alle niveaus aan deze problemen. Op korte termijn zetten de diensten zich in om de bestaande achterstand zoveel mogelijk weg te werken. Het is waar dat de personeelssituatie heeft bijgedragen aan de toename van deze achterstand.
De dienst gerechtelijke kosten heeft voor bepaalde vestigingen een verzoek ingediend om extra personeel via Rosetta-contracten en wacht momenteel op een reactie van de Inspectie der Financiën. Voor de antenne in Eupen is onlangs een selectieprocedure afgerond, die naar verwachting zal leiden tot de aanwerving van een medewerker.
In 2025 werd 54 % van de door de taxatiebureaus behandelde betalingsaanvragen binnen 30 dagen afgehandeld, met een gemiddelde betalingstermijn van 36 dagen. Voor het eerste kwartaal van 2026 bedraagt dit percentage 54,7 %, met een gemiddelde betalingstermijn van 35 dagen.
Deze achterstand bedraagt zelden meer dan twee maanden vanaf de ontvangst van het betalingsverzoek. Wanneer een dienstverlener te maken krijgt met een langere termijn, komt dat doorgaans doordat zijn dossier onvolledig is of dat er correcties of aanvullende informatie nodig zijn.
De IT-afdeling voert momenteel diverse aanpassingen en ontwikkelingen door om het proces van ontvangst en doorsturing van Peppol-facturen te versnellen en te automatiseren.
Daarnaast is een herziening van de procedures inzake gerechtskosten in gang gezet, met name om de verwerking van de dossiers die worden ontvangen via JustInvoice - de applicatie die dienstverleners gebruiken om hun kostenstaten samen met de bewijsstukken in te dienen - door de verschillende antennes van het taxatiebureau te rationaliseren.
Het doel is om de informatie over de dienstverleners rechtstreeks van de gerechtelijke autoriteiten te verkrijgen en het proces te rationaliseren, te vereenvoudigen en te centraliseren in één enkel computerprogramma, vanaf de vordering van de dienstverlener tot de vereffening van zijn kosten, met integratie van zowel de goedkeuringen als de elektronische facturatie. De betaling van beëdigde vertalers en tolken blijft echter onderworpen aan de regels die van toepassing zijn op de overheidsboekhouding. De diensten van de FOD hebben in dit verband stappen ondernomen bij de FOD BOSA.
Bron: Commissie voor Justitie, Kamer van volksvertegenwoordiger, 24 juni 2026
Bekijk hier de video met het antwoord van minister van Justitie Annelies Verlinden

